Slakken
Slakken - Gastropoda of buikpotige Slakken komen in de zee, in zoetwater en op het land voor. Belangrijke factoren voor hun overleven naast vochtigheid zijn temperatuur, licht en het zoutgehalte. De dieren in het Water ademen door middel van kieuwen, de dieren op land en in zoetwater hebben een soort longen. Bij slakken zonder huisj e spreekt men van naaktslakken.
De slakken kunnen zowel van gescheiden geslacht zijn als tweeslachtig. Slakken dragen hun huisje meestal in het midden van hun rug. De schelp groeit vanuit de buitenste rand, die dun en bros is. Als de schelp verder groeit schuift ook de buitenste rand op. De slak scheidt aan de groeirand schubben, dorens, knobbeltjes of ribbels af. De top van de schelp is het oudste deel en de vaak regelmatige tekening van schelpen duidt op een regelmatige groei. Het weekdier kan uit de opening te voorschijn komen en kan zich ook terugtrekken en de opening met een operculum (dekseltje) afsluiten.
De meeste huisjes hebben rechtsgedraaide - dus met de klok mee- spiraalvormig gewonden schelpen. Ze dienen in het water als bescherming tegen natuurlijke vijanden, en aan land tegen vochtverlies en uitdroging. Een schelp bestaat uit uitscheidingsproducten, calciumcar- bonaat en conchioline - een eiwitverbinding, die verwant is aan de kinine van krabben en insecten - deze bestanddelen Worden in lagen afgescheiden en zorgen soms voor een pa- relmoerachtig effect. Een compleet slakkenhuis bestaat uit- eindelijk uit ca. 10% organische substantie; de overige 90% zijn anorganische verbindingen. De kleuren van de schelpen Worden door pigmenten ge- vormd, die het weekdier produceert onder invloed van het voedsel dat hij eet. Bij wisselingen van gebieden of voedsel kunnen de kleuren veranderen en vertonen ze guirlandes, zigzagstrepen, vlekken of spikkels.
De vondsten
Op het strand of in het binnenland kun je slakkenhuizen en schelpen vinden. Aan de Zeeuwse kust vind je ze in een groot aantal. Vaak worden ze maar weinig aandachtig bekeken, omdat de haaientanden het meer bekend en geliefd verzamelobject zijn. Opgesloten in sedimenten en beschermd voor erosie zijn veel schelpen en slakkenhuizen tot fossiel geworden. Ze zijn daarmee één van de belangrijkste getuigen geworden en vertellen ons iets over het verre verleden. In het verleden zijn door hoge druk veel slakken en schelpen vemield, maar tegelijkertijd versteende het omgevende sedi- ment en zorgde ervoor dat zij als afdruk bewaard bleven. Deze vondsten zijn aan de Zeeuwse kust vooral bij kenners bijzonder begeerd. Wat men ook nog kan vinden zijn versteende fosforietknol- len. Lege schelpen en huisjes zijn met fosforiet opgevuld, de hoge druk heeft de schelpen vernield en het sediment is versteend.
Men kan ook de versteende afdrukken vinden van schelpen en slakken, echter niet zo Vaak. Ze zijn ook niet zo specta- culair als de fosforietknollen. In plaats van maar één originele haaientand kan men dus twee afdrukken van dezelfde slak of schelp vinden: één ver- steende afdruk van de binnenkant en één van de buitenkant!
Wat men bovendien vindt
Haaien en roggen zijn kraakbeenvissen. Kraakbeen vergaat, dus verstenen hun skeletten niet. Maar omdat zich tussen de vlakke ruggenwervels voldoende kalk verzamelde en deze versteende, vindt men ook haaien- en roggenwervels. Van roggen vindt men huid- en staartstekels en vooral bij het Zwin losse tandjes van de tandplaten. Bijzondere en ook zeldzame vondsten zijn de kleine ronde tandjes met een smeltkapje, vanwege hun gladheid en diep- zwarte kleur. Ze zijn van een zeebrasem. Gehoorbeentjes zijn bijzonder hard en taai en vaak de enige getuigen van inmiddels uitgestorven kleinere vissoorten. Het Tertiair geldt als de Nieuwe Tijd van de aarde en Wordt gekarakteriseerd door de opkomst van zoogdieren. Fossielen van zoogdieren zijn, vooral voor de leek, zeer moeilijk te herkennen. Ook hier betreft het in eerste instan- tie de fossiele tanden, daarnaast bestaan er benen tappen van geweien en hoorns. Hieronder ziet men een benen tap van een Wolharige neushoorn of een tand van een potvis, gevon- den in januari 2000 onder het strandpaviljoen “De Piraat” in Cadzand-Bad.
Zoeken - waarom, hoe, waar en wanneer
De tijd als jager en verzamelaar hebben We allang achter ons gelaten. Maar als we kijken wat de mensen met groot enthousiasme verzamelen, zeker hier op het Zeeuwse strand, dan kun je stellen dat het verleden toch behoorlijk dichtbij is. Waarom verzamelen wij iets? Niet om te overleven, maar het verzamelen kan snel tot een grote passie Worden. Toeristen verzamelen het meest haaientanden, dus dat Wat ze het beste kennen. - Echt kennen? Een oudere toerist vroeg afgelopen herfst aan een verzamelaar op het strand van Nieuwvliet, toen hij net een haaien- tand opraapte Wat is dat, Wat u zojuist gevonden heeft?” - “ Een haaientand”, zei hij vriendelijk. De reactie van de vrouw, Oh, tjeetje! Hier kun je dus ook niet meer zwem- men zonder gevaar. Lachen of huilen? Hoe wordt een vondst behandeld? Wie een tand vindt, laat hem trots aan iedereen zien en bewaart hem dan meestal in een glazen potje. Want daarin kunnen vinder en bewonderaar de mooie vondsten van alle kanten goed bekijken. Waar men zijn zoektocht begint, is niet zo zeer belangrijk voor de kwaliteit, maar voor de kwantiteit van de voorover gebogen moeite. Ongeveer 30 jaar geleden lagen de vruchtbaarste vindplaatsen op de Belgische kant, van het stadseinde van Knokke tot aan de Zwingeul, de oude verzandde vaargeul bij het Zwin, tevens de groene grens tussen B en NL. ~ Let op! Ook op de dag van vandaag komt deze geul bij opkomende vloed nog volledig onder water te staan en is dieper en wilder dan je op het eerste zicht zou vermoeden. Menigeen, die niet op het juiste tijdstip terugkeerde, moest per bus of taxi een verre en dure omweg maken. In de loop der jaren is het aanspoelen van fossielen langzaam maar zeker meer naar oostelijke richting verplaatst: door kustbouwwerken, het opspuiten van zand ter Verhoging van de stranden en vooral door het wegpompen van de zeebodem ter beveiliging der duinen en de daardoor veroorzaakte stromingsveranderingen. Ongeveer 20 jaar geleden vond men de meeste tanden ten Westen van het Aparthotel Noordzee tot aan het Zwin. Ongeveer 10 jaar geleden was dit ter hoogte van het uitnodigende en met fantastische uitzicht op de Zee gelegen Cadzandria, waar tot heden nog enkele goede vindplaatsen zijn. Vandaag vindt men de meeste maar vooral ook de meest spectaculaire fossielen op het meest noordelijke punt rechts en links van de radartoren. Deze meet de afstand van de schepen naar de kust en helpt de schepen door het overbrengen van de opgemeten data door de smalle vaargeul heen. Volg je het strand richting Breskens, dan Vind je er nog steeds fossielen, weliswaar minder groot en misschien in een niet meer voor ieder zo motiverende hoeveelheid. Maar hoe groot is de vreugde Wanneer je er zelfs nog één aan de overkant van de veerhaven vindt. Maar niet alleen de stroming en daarmee de vindplaatsen zijn veranderd, ook de variëteit der vondsten. Zo ’n 20 jaar geleden kon je haaien- en roggentanden in gelijke aantallen Vinden, vandaag de dag is dat volledig veranderd.