Fossielen op het strand
De zee neemt en geeft, de zee is door eb en vloed in een voortdurende voor- en achterwaartse beweging, en weer en wind, storm- en springvloeden knagen aan de duinen en dijken. Stromingen op de bodem van de zee schuiven en trekken aan de sedimenten, leggen ze bloot en draaien ze rond. Wat ooit helemaal onderaan lag Wordt naar boven gebracht en spoelt mettertijd op het strand aan. Tot onze grote vreugde ook de fossielen, zoals o.a. schelpen en slakken en de vooral voor de vakantiegangers en inheemse bevolking bijzonder begerenswaardige haaientanden uit het Tertiair van 65 tot en met 5 miljoen jaar geleden. Stel je toch voor! Ook de jongste vondsten zijn veel ouder dan de mens, die zijn eerste ontwikkelingsfase maar net 1,5 miljoen jaar geleden begon en inderdaad pas sinds 40.000 duizend jaar de naam mens verdient.
Er is nog een reden voor de vele mooie fossielenvondsten: het opspuiten van zand op het strand door grote zandzuigers. Door het opzuigen van de zeebodem kwamen ook de dieper gelegen, tot dan toe niet toegankelijke schatten vrij en deze worden nu, fossiel voor fossiel, blootgespoeld. Bijvoorbeeld:
- 70 soorten haaientanden
- 20 soorten roggentanden
- 30 soorten tanden zoals tanden van draak- vissen/zeeduivels
- 35 soorten van zoogdieren en
- 70 soorten fossiele schelpen en slakken
- 200 soorten zijn tot op de dag van vandaag nog niet definitief bepaald.
Daar aan toe te voegen zijn de o.a. versteende gehoorgangen van walvissen, deelstukken van neushoorns en mammoettanden, versteende krabben en wervels. Het is echter voor de toeristische leek behoorlijk moeilijk de zeldzame fossielen van een andere waardeloze, nietszeggende verstening te onderscheiden.
Haaien en roggen
Wat ons bijzonder interesseert is de ontwikkeling van de aarde tussen het Krijttijdperk* en het Tertiair*, dat geweldadiger was dan overige elkaar opvolgende tijdperken. Met het Tertiair begon explosief een nieuw tijdperk in de aardgeschiedenis: de gebergten, zoals we ze ook vandaag nog kennen, ontstonden. Geweldige vulkanische explosies en de daardoor teweeggebrachte aardverschuivingen zorgden ervoor dat de tegenwoordige continenten en het huidige klimaat ontstonden.
Het plantenrijk veranderde plotseling door het opkomen van loofhout en uit het dierenrijk verdwenen de laatste sauriërs, vooral uit de zeeën. Aan land ontwikkelden zich zoogdieren en in de zee kreeg de haai zijn heerschappij. In het Oud-Tertiair vormden zich zogenaamde ordes van enkele diersoorten, terwijl in het vroege Tertiair de weinige diersoorten zich in vele ondergroeperingen opdeelden. Zo ontwikkelden zich ook de haaien tot een groot aantal soorten met verschillende gebitten en tanden, passend bij hun levens- en eetgewoontes. Voortaan heersten de haaien in de zeeën. Dat we hun tanden voortdurend en in grote hoeveelheden op het strand vinden heeft te maken met het groot aantal haaien dat toen leefde, maar ook met de bijzonderheid van hun gebit.
De tanden reikten over meerdere tandrijen achter elkaar tot in de keelholte. Als de haai bij het scheuren van prooi tanden verloor, groeiden deze direct aan. Van de kleinste tanden achter in de bek tot aan de grootste vang- en scheurtanden vooraan hadden er honderden, ja, duizenden een plek.