Schelpen en slakkken
Het plantenrijk veranderde plotseling door het opkomen van loofhout en uit het dierenrijk verdwenen de laatste sauriërs, vooral uit de zeeën. Aan land ontwikkelden zich zoogdieren en in de zee kreeg de haai zijn heerschappij. In het Oud-Tertiair vormden zich zogenaamde ordes van enkele diersoorten, terwijl in het vroege Tertiair de weinige diersoorten zich in vele ondergroeperingen opdeelden. Zo ontwikkelden zich ook de haaien tot een groot aantal soorten met verschillende gebitten en tanden, passend bij hun levens- en eetgewoontes. Voortaan heersten de haaien in de zeeën. Dat we hun tanden voortdurend en in grote hoeveelheden op het strand vinden heeft te maken met het groot aantal haaien dat toen leefde, maar ook met de bijzonderheid van hun gebit. De tanden reikten over meerdere tandrijen achter elkaar tot in de keelholte. Als de haai bij het scheuren van prooi tanden verloor, groeiden deze direct aan. Van de kleinste tanden achter in de bek tot aan de grootste vang- en scheurtanden vooraan hadden er honderden, ja, duizenden een plek.
Bij een van de grootste haaien, de Carcharadon megalodon, een reuzehaai, die een lengte van 12 tot 15 am ~kon bereiken, was de bek ongeveer 1 meter breed met tanden van ongeveer 10 cm lang en ongeveer een tot twee pond zwaar. Haaien Waren en zijn vleeseters, dat kun je .goed zien aan de vorming van hun tanden. Anders dan bij de haai, heeft de rog een kaak die bedekt is met meerdere rijen Vlakke maaltanden, de zogenaamde tandplaten.
Gave tandplaten kan men slechts zelden vinden; ze breken makkelijk vanwege hun lengte en hun geringe dikte. Daarentegen vindt men vaak brokstukjes van ongeveer 1 à 2 cm lengte; tegenwoordig echter bijna alleen maar bij het Zwin. Grotere stukken, zoals op de afbeelding, zijn uiterst zelden te vinden.
Schelpen (Bivalvia)
Schelpen en slakken behoren tot de Categorie van de week- dieren. Er bestaan rond de 105.000 slakkensoorten (gastropoden) merendeels met huisjes en er bestaan rond 20.000 soorten tweekleppige schelpen (bivalven); daarnaast bestaan er nog ongeveer 2000 soorten die tot een andere categorie behoren. Het is bijna onmogelijk om uit deze hoeveelheid een selectie te maken uit de aan de Zeeuwse kust voorkomende soorten met hun ondergroeperingen en families. De belangrijkste oftewel de meest voorkomende soorten werden afgebeeld. Al in de tijd van Aristoteles vielen schelpen en slakken op. Bedekt met een harde laag of schelp kregen ze de naam: schelpdieren (Ostracoderma, Testacea). In het begin werden alleen de dieren zonder schelp bij de weekdieren (Mollusken) ingedeeld. Maar op een gegeven moment zag men echter dat schelpdieren dezelfde lichaamsbouw hebben als weekdieren. Vanaf die tijd behoren de schelpdieren dus ook tot de weekdieren. De bestaande vakliteratuur maakt onderscheid in “klasse, sub- klasse, orde, suborde, superfamilie, familie en subfamilie”. In dit boek proberen we echter de vorm en de grootte van de schelpen te bekijken en proberen ze dan aan de hand van afbeeldingen te determineren.
Schelpen leven’ uitsluitend in het water. Het dier past in zijn twee schelpkleppen. Ze hebben kieuwen die tevens fungeren als zeven, waarmee ze voedsel uit het water filtreren. Veel soorten hebben een dubbele of twee aparte sifons (zuigbuizen), waardoor water in en uit de schelp stroomt. Schelpen zijn overwegend van gescheiden geslacht, de voortplanting geschiedt in het open water.
Tweekleppige
Maar weinig schelpdiersoorten bewegen zich met een gespierde voet, voortkruipend op het sediment. De meeste graven zich er mee in. Andere soorten, b.v. de mossel, hechten zich met byssusdraden, een afscheidingsproduct van de schelp, dat in het water hard wordt, aan stenen e.d. vast. Weer andere soorten boren zich in een stukje hout of in zacht gesteente. Enkele bewegen zich voort Wanneer ze het opgezogen Water naar achteren uitstoten en de terugslag gebruiken. Met hulp van sterke spieren openen of sluiten de schelpen zich. De schelp bestaat uit twee kleppen, die door een hoornachtige band bij elkaar gehouden worden. De wervels van de dieren, van waaruit de schelp gevormd Wordt, bevinden zich gewoon in het midden, zodat zich tegelijkertijd een linkse en een rechtse klep kan vormen. De binnenkant van de schelp is glad en Wit, gevlekt of van een parelmoerlaag voorzien, daarentegen zijn aan de buiten- kant groeilijnen, ribbels, groeven en dorens te onderscheiden. Vaak worden zee- of diepzeeschelpen zoals bijvoorbeeld het Olifantstandje (een buisvormig en gebogen schelpje) en de Nautilusschelp met slakken verwisseld, omdat deze zeer op slakken lijken.
Phasianella striata
Phasianella solida
Argonaut shell