De Zeeuwse kust
De Zeeuwse kust is een van de rijkste vindplaatsen voor fossielen in Nederland. Door voortdurende erosie, stroming en afslag komen oude aardlagen bloot te liggen, waardoor je hier regelmatig fossiele schelpen, botjes en haaientanden kunt vinden. De kustlijn verandert voortdurend, waardoor steeds nieuwe vondsten zichtbaar worden. De pagina legt uit waarom juist deze regio zoveel fossielen oplevert, welke soorten je kunt tegenkomen en hoe je ze herkent tijdens het zoeken.
Welke fossielen kun je hier vinden?
Langs de kust vind je vooral fossiele schelpen, botfragmenten en haaientanden. Deze resten zijn vaak miljoenen jaren oud en komen door natuurlijke processen steeds opnieuw tevoorschijn.
Rond 8000 v. Christus was de waterstand van de Zeeuwse kust 25 meter lager dan vandaag. Zeeuws Vlaanderen* was met Walcheren, Beveland, Schouwen Duiveland en de Waalmonding verbonden. Het Was een aaneengesloten kuststrook. Nadat de zee in 3000 jaar tot ongeveer het huidige niveau was gestegen, kwamen niet alleen de voormalige oeverlandschappen landinwaarts ver onder water te staan, maar ontstonden er door overstromingen in de vlakkere gedeelten grote eilanden zoals Walcheren en Schouwen Duiveland. Voor de Zeeuwse kust ontstonden ook kleinere eilanden, als Suydsant, Kadzand (Cadesand voor de lle eeuw), Coesant, Biervliet en andere, die soms zelfs werden bewoond, en dan Weer overstroomden.
Het Zwin in de 17e eeuw
Catsant
Catsant bleef een eiland tot het ingepolderd werd, waarna het Cadzand werd genoemd. In de kustgebieden ontstonden enorme moeras- en veengebieden, die door opvolgende vloeden met sedimenten werden bedekt. De afzetting van de sedimenten Werd veroorzaakt door lage Waterstanden of omdat de oceaanbekkens weer droog vielen.
Deze sedimenten - zand, grind, klei en slik - ontstaan door erosie. Erosie is het Verslijten van grote brokken steen tot de kleinste deeltjes (zand, slik) door wrijving bijvoorbeeld, of wind, kou en hitte. Toen de oceaanbekkens met Water gevuld waren werden sedimenten die oorspronkelijk uit de rivieren kwamen, afgezet op het land of in het kustgebied.
Nadat levende wezens in drooggevallen kraters hun ondergang hadden gevonden, werden de overgebleven harde delen zoals de huisjes van schelpen en slakken, skeletten en tanden door alsmaar dikkere lagen sediment afgedekt. Ook de rivieren brachten in hun sedimenten de harde overblijfselen van levende wezens met zich mee. Door de steeds hogere druk van deze dikke lagen sediment en het daardoor ontstane zuurstofgebrek zijn de haaientanden en de overige harde delen versteend en werden het fossielen.
De Zeeuwse kust (Zeeuwsch-Vlaanderen)
Spoelt een rivier een grote hoeveelheid sedimenten in de Zee, dan kunnen zich hoge zandbanken voor de kust vor- men, soms zelfs complete eilanden. Men noemt ze delta-ei- landen. Want rivieren die zich tot een Waaiervormige monding ver- breden, hebben dezelfde vorm als de Griekse letter delta. Eilanden kunnen echter ook door golfbewegingen en later door afzettingen van de wind ontstaan. In het eerste geval zetten de golven iedere keer zand af. Planten houden dit zand vast en later worden deze eerste duintjes opgehoogd door de wind.
Lagunen zijn de meer platte eilanden die meestal achter de duineilanden liggen. Normaal steken ze alleen bij eb boven het water uit en vormen vaak een gevaarlijke hindernis voor onkundige schippers bij vloed. Aanvaringen en vastlopen op de bodem zijn in de oingeving van de Westerschelde menigmaal oorgekomen. De verdronken eilanden Schorrevelde, Coesant en Wulpen rond 1300. Het hoger gelegen Catsand bleef behouden. Als we naar de afbeelding van de Zeeuwse kust rond 1300 kijken, onderscheiden We drie delta-eilanden die uit sedi- menten, door de Westerschelde meegevoerd, opgehoopt werden: Schorrevelde, Coesant en het grootste eiland Wulpen. Schooneveld (huidige schrijfvonn) en Wulpen le- ven enkel nog voort in de namen van campingplaatsen in de buurt van de toenmalig bewoonde eilanden. De zee heeft ze terug veroverd en met de zeebodem gelijk gemaakt.
Sedimenten
De afzet van sedimenten had ook andere gevolgen, zoals te zien is in het Zwin. Door wind en zee is de Zwingeul, de vaargeul die de zee verbond met Sluis en Brugge, volledig verzand, zodat de schepen de geul niet meer konden bevaren. De consequentie was dat de mensen in deze rijke Hanzesteden in de loop van de l7e eeuw snel verarmden. Het Brugge dat we vandaag zien is nog maar een flauwe weergave van ooit. Zelfs het toerisme kan de succesvolle handel van toen maar moeilijk vervangen.
Al worden er vandaag de dag kosten nog moeite gespaard om met nieuwe ideeën, landschapsaanpassingen en met aandacht voor de geschiedenis een bloeiende, commerciële toeristensector uit te breiden.